NLP Woordenboek

A

Accessing cues

Subtiele gedragingen die aangeven welk representatiesysteem (bijvoorbeeld visueel, auditief of kinesthetisch) een persoon gebruikt. Accessing cues zijn vaak:

  • oogbewegingen
  • lichaamshouding
  • taalgebruik
  • ademhaling

Analoge markering

Door middel van intonatie, lichaamstaal, gebaren, enz. aanduiden welke belangrijke woorden in een zin (of een stuk van iemands fysieke presentatie) zitten.

Anker

Elke externe prikkel (stimulus) die geassocieerd is met een zekere interne, emotionele reactie (response).

Auditief

Gerelateerd aan het zintuig ‘gehoor’; het auditieve representatiesysteem – klanken, geluiden en spraak.

Associatie

Het (on-)bewust verbinden van de ene gedachte/ervaring met de andere.

Of: Wanneer je geassocieerd naar een ervaring kijkt, beleef je deze vanuit je eigen ogen.

Attitude

Een verzameling van waarden en overtuigingen die je houding (attitude) bepalen rond een bepaald onderwerp. Je attitude is dus hoe je tegen dit onderwerp aankijkt.

As-if frame

Het mentale kader waarin je doet alsof je een nieuw gedragspatroon al beheerst, of alsof je een onbekende emotie of gemoedstoestand al kent.

Alignment

Deze term staat voor afstemming, balancering (en integratie van nieuw gedrag).

B

Backtracking

Het samenvatten/parafraseren van de woorden van de cliënt of gesprekspartner, tijdens een gesprek, onder andere om na te gaan of je het goed hebt begrepen. Backtracking is een van de drie onderdelen van het bouwen van ‘rapport’.

Breakstate

Een bewuste onderbreking van iemands mentale of fysieke aandacht en focus, om vervolgens verder te gaan met nieuwe aandacht en gemoedstoestand.

Bewustzijn (vs. onderbewustzijn)

Het bewustzijn is het besef dat we bestaan, en het besef van alles wat we ervaren, meemaken, denken en waarover we controle uitoefenen. Het onderbewustzijn is het deel van je denken, voelen en ervaren waarvan je niet beseft dat het er is.

Bateson model

Een model met de logische niveaus; niveaus waarin we denken, ervaren, leren en veranderen. Veranderingen in een hoog niveau van dit model, leiden bijna altijd tot veranderingen in de lagere niveaus van het model. Er is geen sprake van hiërarchie. De niveaus zijn:

  1. Missie
  2. Identiteit
  3. Waardes
  4. Overtuigingen
  5. Vaardigheden
  6. Gedrag
  7. Omgeving

Bewustzijns-predikaten

Een vorm van een Milton-taalpatroon; woorden als ‘oftewel’, ‘besef’, ‘realiseer’. Deze woorden verhogen het bewustzijn op dat moment. Voorbeeld: “Misschien besef je je dat je lichaam al meer ontspannen is”.

Betekenis Herkadering

Het veranderen van de betekenis van een gebeurtenis of herinnering, door het kader (omgeving) of het frame te veranderen.

C

Capaciteit

De beheersing van vaardigheden over een verzameling gedragingen; het weten hoe je iets moet doen en het ook kunnen.

Chaining anchors

Wanneer een reeks aan ankers (zie A) worden ingezet om van de ene gemoedstoestand geleidelijk over te gaan in een andere gemoedstoestand. De reeks aan gemoedstoestanden die hiermee wordt ervaren, kan leiden tot meer inzicht in mogelijke (emotionele) hulpbronnen.

Change Personal History

Een NLP-techniek die door het opnieuw associaties toevoegen aan ervaringen uit je verleden, jouw ervaring van je persoonlijke geschiedenis her-programmeert.

Chunking

Het organiseren of het verkleinen van grote ervaringen of doelen, naar kleinere of grotere delen. Downchunken betekent de informatie naar een meer specifieke en concreter niveau te brengen. Upchunken betekent de informatie naar een groter, abstracter niveau te brengen.

Congruentie

Wanneer alle overtuigingen, waarden en gedragingen van een persoon volledig georiënteerd zijn richting eenzelfde uitkomst – wanneer deze met elkaar overeenkomen. Iemands stem, gedrag en lichaamshouding geven dezelfde boodschap.

Collapsing Anchors

Wanneer er twee ankers tegelijkertijd worden ingezet, zodat deze twee interne ervaringen combineren. Het tegelijkertijd activeren (van een ongewenst anker en een tegengesteld, positief anker) zorgt ervoor dat het ongewenste anker verdwijnt.

Context

Het (omgevings-)kader betreffende een bepaalde ervaring. Dit kader bepaalt vaak door welke mentale filter(s) een bepaalde ervaring wordt geïnterpreteerd.

Context Herkadering

Bij context herkadering veranderen we niets aan de inhoud (gedrag) van een situatie, maar wordt de context verandert.
 Context-herkaderingen kunnen bestaan uit het veranderen van bijvoorbeeld tijd of plaats.

Complexe equivalentie

Wanneer twee zaken die eigenlijk niets met elkaar te maken hebben, aan elkaar worden gekoppeld om een (foutieve) oorzaak-gevolg-relatie te beschrijven. Voorbeeld; Mijn secretaresse heeft ontslag genomen en nu ben ik failliet aan het eind van het jaar.

Cross-over-mirroring (Crossover Matching)

Het spiegelen (kopiëren) van een deel van iemands fysiologie, met een andere beweging of element dan degene vertoont. Voorbeeld: je voetstappen zetten op het ritme van iemands spreektempo.

Casuale koppeling

Ook wel oorzaak en gevolg genoemd. Impliceert dat het ene tot het andere leidt. Het ene is het gevolg van het andere –  A leidt tot B.

D

Dissociatie

Wanneer je vanuit een mentaal of gevisualiseerd beeld/situatie naar jezelf kijkt, in plaats van vanuit je eigen ogen. De situatie of een visualisatie van deze afstand bekijken zorgt ervoor dat je gevoelens minder heftig betrokken zijn in die situatie (je bekijkt het objectiever) en je beter kan relativeren.

Down-time

Een gemoedstoestand waarin je al je aandacht en waarneming naar binnen is gekeerd, naar je innerlijke staat van zijn (je denken en voelen).

Derde positie

Wanneer je jezelf en een ander observeert vanaf een objectief standpunt. Ook wel Meta-positie genoemd.

Dieptestructuur

De dieptestructuur houdt hetgeen in, wat in de oppervlaktestructuur in woorden wordt geuit.

De dieptestructuur is de vorm waarin verbaal wordt uitgelegd wat er is/wordt ervaren. Het kan hierbij bijvoorbeeld om de overtuigingen, waarden of identiteit gaan die men koppelt aan een ervaring.

E

Ecologie

Het inschatten van de ethische gevolgen (van de veranderingen) die tijdens een NLP techniek kunnen ontstaat. Een kernvraag hierbij is ‘Wat voor effect heeft deze verandering op de omgeving, en ben je hier oké mee?’.

Elicitatie

Ontdekken en verkennen (vaak van interne processen).

Eerste positie

Wanneer je vanuit je eigen oogpunt, perspectief en positie, een situatie waarneemt. Dit wordt ook wel geassocieerd genoemd.

F

Future Pacing

Het visualiseren van een toekomstige situatie (waarin je een uitdaging tegenkomt, waar je een NLP-techniek op hebt toegepast) om te checken of het gewenste gedrag zich natuurlijk en automatisch ontplooit. In deze visualisatie kun je ‘meten’ of de techniek effect heeft gehad.

Frame

Het stellen van een context, die invloed heeft op de filters waardoor communicatie wordt geïnterpreteerd. Komt sterk overeen met de term kader.

Fysiologie

Het geheel van je lichaamshouding, -bewegingen, en fysieke staat van zijn.

G

Gedrag

Iedere waarneembare (inter-)activiteit met iemands omgeving, binnen of buiten zichzelf.

Gestalt

Een term vanuit de psychologie die het ‘totaalbeeld’ betekent, waarbij het geheel meer is dan de som der delen. Binnen NLP gaat het hier over het bevorderen van het bewustzijn van alle gedragingen, herinneringen en gevoelens die je in een context ervaart.

Gedragsflexibiliteit

De kunst om je eigen gedrag zo te kunnen veranderen, dat je aansluiting vindt bij een ieder zijn wereldmodel.

Generalisatie

Het proces waarbij een specifieke gebeurtenis gerepresenteerd wordt alsof het deel uitmaakt van een hele categorie. Binnen de taal zijn voorbeelden van generalisaties vaak te herkennen als ‘altijd’, ‘iedereen’, ‘alle’, ‘overal’.

Generalisatie is een van de drie kernbegrippen van filters in het NLP-communicatiemodel, samen met vervorming en weglating.

Gustatoir / Gustatief

Het representatiesysteem dat over het zintuig smaak gaat.

Gemoedstoestand

Je emotionele staat van zijn in een bepaald moment. Dit wordt beïnvloed door je focus, taal, overtuigingen en fysiologie.

Gestapeld anker

Een combinatie van krachtgevende hulpbronnen, op eenzelfde anker. Een gestapeld anker kan bijvoorbeeld zijn; zelfvertrouwen, liefde en kracht – op één anker.

H

Herkaderen

Een proces dat gebruikt wordt om nieuwe keuzes te bevorderen, in plaats van ongewenst gedrag.

Er wordt een scheiding gemaakt tussen de positieve intentie van het gedragspatroon of “deel” dat verantwoordelijk is voor het ongewenste gedrag, en het gedrag zelf. Bij dit proces blijft de positieve intentie van het gedrag in stand, maar wordt het ongewenste gedrag verwijderd of veranderd.

Hulpbronnen

Elk middel dat betrokken kan worden om tot een positief resultaat te komen, of om je te helpen geen last meer te hebben van ongewenste gevoelens. Hulpbronnen kunnen zijn:

  • Ervaringen
  • Gemoedstoestanden
  • Strategieën
  • Fysiologie
  • Mensen
  • Gebeurtenissen
  • Bezittingen

Inhoudelijke herkadering

Een opmerking/mening een ander perspectief geven, door de focus te verleggen naar ‘Wat zou dit nog meer kunnen betekenen, behalve wat het nu voor je betekent?’

I

Identiteit

Wie we ervaren te zijn als individu, hoe we onszelf zien als persoon. Ons gevoel van identiteit heeft invloed op onze overtuigingen, capaciteiten, gedragingen en onze omgeving in een systeem. (o.a. onderdeel van het Bateson model)

Intentie

Het doel, de gewenste uitkomst van enige vorm van gedrag (of meerdere gedragingen).

Interne representatie

De manier waarop informatie is opgeslagen in ons geheugen via beelden, geluiden, gevoelens, geuren en smaken (en hoe we deze ervaren).

Incongruentie

Twee of meerdere delen van iets (een mening, een doel, een gedraging, een overtuiging) die niet overeenkomen of aligned zijn, vormen een incongruentie. Vaak te herkennen aan ‘ik wil dat doel wel bereiken maar…‘.

Interne dialoog

De stem (of stemmen) in je hoofd waarmee je tegen jezelf praat, inclusief tonaliteit en positieve of negatieve intenties.

K

Kalibratie

Het proces van het observeren van, en het afstemmen op, een persoon zijn/haar bewuste en onbewuste gedrag. Kalibreren gebeurt om met die informatie beter, specifieker en succesvoller te communiceren.

Kader

Het stellen van een context, die invloed heeft op de filters waardoor communicatie zal worden geïnterpreteerd. Komt sterk overeen met de term frame.

Kinesthetisch

Alle lichamelijke gewaarwordingen die men ervaart in gevoel. In NLP omvat de term kinesthetisch emoties en aanrakingen. Ook is kinesthetisch een representatiesysteem waarbij de focus ligt op gevoel.

L

Leiden

Het aanpassen van je gedrag zodat je je subject leidt, met als doel dat subject zelf de juiste conclusies of verandering bereikt. Volgen en leiden zijn fundamentele manieren van communiceren in NLP, en vormen de basis van elke vorm van goed rapport.

Logische niveaus

Het Bateson-model: niveaus van onderwerpen waarbij elk niveau meer psychologische invloed of omvatting heeft. Het hoogste niveau is niet ‘beter’ dan het laagste, maar wel erg verschillend qua diepgang. Van hoog naar laag;

  1. Missie
  2. Identiteit
  3. Waardes
  4. Overtuigingen
  5. Vaardigheden
  6. Gedrag
  7. Omgeving

Loop

Het compulsief en opzettelijk herhalen van bepaald gedrag.

M

Matchen (Matching)

Aansluiting zoeken op het gedrag, of het wereldmodel, van een ander ter verbetering van het rapport en de communicatie.

Mis-matchen (Mismatching)

Het (opzettelijk) aanpassen van je gedrag zodat je geen aansluiting vindt bij een anders wereldmodel. Het doel hiervan is perspectief of inzicht bieden aan een ander of een groep.

Meta

Afgeleid uit het Grieks, met de betekenis ‘tussen’ of ‘na-’, ‘verder dan’, ‘ver-’; binnen NLP wordt naar Meta ook wel gerefereerd als derde waarnemingspositie tijdens oefeningen. Vanuit de metapositie kijk je objectief en ‘los van-’ naar en situatie.

Metacognitie

Het weten hoe je iets weet, en wat je weet. Het beheersen van een discipline en tegelijkertijd ook weten uit te leggen hoe je het beheerst.

Metamodel

Een model uitgevonden door John Grinder en Richard Bandler. Het model heeft als doel de oorspronkelijke ‘boodschap’ van communicatie te herstellen, en door generalisaties, weglatingen en vervormingen in taal ‘heen te prikken’. Het model categoriseert taalpatronen en geeft een dieper inzicht de daadwerkelijke communicatie.

Milton model

Het gebruik van vage taalpatronen (generalisaties, weglatingen en vervormingen) om te matchen met andermans wereldmodel en zijn/haar onbewustzijn. Dit model is gebaseerd op het werk van Milton H. Erickson M.D.

Modale operatoren

Modale operatoren zijn taalpatronen en zijn onderverdeeld in twee groepen: Noodzakelijkheid en onmogelijkheid.

Men kan tijdens het spreken een zodanige woordkeuze hebben dat zij daarmee grenzen of beperkte keuzemogelijkheden opleggen. Noodzakelijkheid: Ik “moet” dit of dat. Onmogelijkheid: Ik wil het wel, “maar”..

Modelleren

Het observeren en in kaart brengen van succesvol gedrag van andere mensen. In NLP gaat het om het vaststellen van gedrag / fysiologie, overtuigingen en waardes, interne strategieën en gemoedstoestanden (o.a. om deze over te kunnen nemen/om hiervan te kunnen leren).

Metafoor

Een beeldspraak met een indirecte boodschap voor de ontvanger.

Metaprogramma’s

Programma’s die de toelichting/mogelijkheden zichtbaar maken van iemand zijn doen en denken.

Mapping Across

Het verplaatsen van de representatie (door submodaliteiten) van de ene gemoedstoestand naar de andere gemoedstoestand. Bijvoorbeeld; een ongemotiveerde situatie/gemoedstoestand wordt omgezet in de submodaliteiten van een gemotiveerde situatie.

N

Non-verbaal

In essentie: zonder woorden. Meestal refereert non-verbaal naar tonaliteit, fysiologie of andere externe gedragspatronen (non-verbale communicatie is 93% van iemands communicatie).

New Behaviour Generator

Een NLP-techniek waarin je tijdens een visualisatie van ongewenst gedrag steeds hulpbronnen toevoegt, totdat het een visualisatie en representatie van gewenst gedrag wordt.

Nominalisaties

Nominalisaties zijn werkwoorden en bijvoeglijk naamwoorden die omgezet zijn naar een zelfstandig naamwoord. Ze zijn niet tastbaar – ze kunnen niet gezien, aangeraakt, gevoeld of gehoord worden. Door het gebruiken van nominalisaties zit er geen concrete actie meer in een zin. We zeggen vaak; ‘nominalisaties kunnen alle woorden zijn die je niet in een kruiwagen kan zetten’.

Voorbeeld: De beslissing is genomen. (Welke beslissing? Door wie is hij genomen? Hoe? Waarom? Ik heb een besluit genomen is geen nominalisatie – hier zit een actie in.)

O

Overtuigingen

Mentale ideeën, meningen, generalisaties over;

  1. de oorzaak
  2. betekenis
  3. de grenzen in;
    1. de wereld om ons heen
    2. ons gedrag
    3. onze mogelijkheden
    4. onze identiteit

Omgeving

De externe context waarin gedrag gebeurt en waaruit het voortkomt.

Oppervlaktestructuur

Een niveau van communicatie waarin veelal de omgeving of waarneembaar gedrag het onderwerp is. Er wordt hier niet ingegaan op de achterliggende niveaus/ideeën/betekenis van hetgeen dat gecommuniceerd wordt.

Oogpatronen

Bewegingen van het oog die een indicatie geven van het representatiesysteem dat iemand op dat moment gebruikt; visueel, auditief, of kinesthetisch.

Outcome

Gewenste doelen, gemoedstoestanden, uitkomst van bepaald gedrag.

Olfactoir

Het representatiesysteem over het reukzintuig. De reukzin.

P

Perceptuele filters

De unieke ideeën, individuele ervaringen, overtuigingen en de taal die ons model van de wereld schept.

Predicaten

Woorden en taalpatronen die binnen NLP gebruikt worden om de representatiesystemen te herkennen die iemand gebruikt (auditief, visueel, kinesthetisch).

Patroon onderbreking

Het onderbreken van een intern- of gedragspatroon, voordat het patroon compleet is. Een patroon-onderbreking kan goed gebruikt worden als oud gedrag afgeleerd wordt en/of vervangen wordt met een nieuw patroon (of nieuw gedrag).

Pacing and leading

Een combinatie van de technieken volgen en leiden, bedoeld om rapport te creëren in communicatie.

R

Rapport

Het hebben van wederzijds vertrouwen en verbinding in een interactie of relatie; evenwicht, harmonie.

Representatie

Een mentale constructie van een herinnering of situatie in je toekomst, door middel van je representatie systemen; visueel, auditief, kinesthetisch.

Representatie-systemen

Voor de vijf zintuigen gebruikt NLP de afkorting VAKOG:

  • Visueel
  • Auditief
  • Kinesthetisch
  • Olfactoir
  • Gustatoir

Voor ieder persoon is een ander representatiesysteem (of meerdere) belangrijker dan een ander.

S

State

Een doorlopende mentale of fysieke (gemoeds)toestand van waaruit iemand handelt. Deze state beïnvloed onze perceptie, ons gedrag en onze capaciteiten.

Strategie

Een verzameling mentale patronen die samen een strategie vormen en tot uiting komen in een gemoedstoestand, gedrag of resultaat.

Sorted by self

Je hebt je aandacht bij jezelf, handelt naar eigen voordeel, geeft meningen en adviezen.

Sorted by other

Je aandacht is volledig bij je gesprekspartner, je handelt in het voordeel van de ander. Dit is een van de drie basisprincipes van rapport.

Submodaliteiten

De kleinere elementen van de vijf representatiesystemen; visuele beelden kunnen scherp of dof zijn, in kleur of zwart wit, groot of klein. Kinesthetische gevoelens kunnen zwaar of licht zijn, snel of langzaam bewegen etc. Geluiden (auditief) kunnen harder of zachter, vager of scherper zijn.

Sandwich feedback model

Het NLP model voor het geven van constructieve feedback:

  1. Merk iets specifiek positiefs op
  2. Geef constructieve feedback
  3. Merk iets algemeners positiefs op

Swish pattern

Dit proces is te gebruiken bij onbewuste reacties waar iemand vanaf wilt. Zeer geschikt voor het afleren van “slechte” gewoonten, zoals nagelbijten bij zenuwen. Leren om d.m.v. van submodaliteiten ongewenste ervaringen te veranderen op procesniveau.

T

Tijdlijnen

De manier waarop we herinneringen, gevoelens, geluiden, plaatjes of ervaringen organiseren in het verleden of de toekomst.

Trance

Een gemoedstoestand waarin de focus naar de innerlijke belevingswereld gaat en waarin je open staat voor (on-)bewuste veranderingen.

Tweede positie

Het bekijken van de wereld door de ogen en belevingswereld van een ander.

U

Uptime

Een staat van zijn, waarin alle zintuiglijke kanalen gericht zijn op wat er in je omgeving gebeurt.

Universal quantifiers/universele eenheids-woorden

Dit zijn woorden die universeel generaliseren, die geen referentie of context hebben. Het zijn o.a. woorden zoals; ‘iedereen’, ‘alle’, ‘nooit’, ‘altijd’.

V

Vervormingen

Het proces waarbij relaties tussen de wereld en de representatie, (on)bewust zijn of worden vervormd. Vervorming is een van de drie kernbegrippen uit het NLP-communicatiemodel.

Volgen

Een methode van gespreksvoering die gebruikt wordt om snel en effectief rapport te creëren en te peilen in wat voor staat iemand is en vanuit welk representatiesysteem deze persoon communiceert. Onderdelen van deze methoden zijn; matchen, back tracking, sorted by other etc.

Vooronderstellingen

Een fundamentele aanname in taal, die nodig is om een representatie te verklaren. Een theorie, stelling of uitspraak die men aanneemt voordat de eerste logische stap genomen wordt. Een dergelijke aanname beïnvloedt vaak de richting waarin men verder redeneert/beweegt.

Visualisatie

Het maken van een visuele representatie van een toekomstbeeld, het heden of het verleden. Deze techniek voor ontwikkeling wordt vaak gedaan met de ogen gesloten, tijdens volledige focus.

Visueel

Het visuele representatie-systeem. Het systeem dat onze informatie in beelden of filmpjes archiveert in ons geheugen.

Vier staps leermodel

Een leermodel om de niveaus van bekwaamheid m.b.t. een bepaalde vaardigheid te meten. De vier niveaus zijn:

  • Onbewust onbekwaam
  • Bewust onbekwaam
  • Bewust bekwaam
  • Onbewust bekwaam

Vergelijkende weglatingen

Een Milton-taalpatroon. Er wordt tijdens het spreken een vergelijking gemaakt en er wordt weggelaten met wie of wat er wordt vergeleken. Bijvoorbeeld:  “Als je meer van het geleerde gaat toepassen, zul je nog succesvoller zijn”.

W

Weglatingen

Het proces waarin geselecteerde delen van de wereld (on-)bewust worden uitgesloten van de mentale representatie die een persoon van de wereld maakt. Binnen het taalsysteem zijn weglatingen delen van zinnen waarin de dieptestructuur is weggelaten.

Weglatingen is een van de drie kernbegrippen uit het NLP-communicatiemodel, samen met generalisaties en vervormingen.

Wereldmodel

Een ieder zijn unieke voorstelling of representatie van de wereld. Dit subjectieve wereldmodel is een uiting van de verzameling individuele waarnemingen en ervaringen van die persoon.

Waarnemingsposities

Het aannemen van bepaalde posities in gesprekken, om vanuit elk perspectief iets proberen te ervaren. Het doel hiervan is om situaties objectiever waar te kunnen nemen en meer creativiteit en flexibiliteit in je gedrag te krijgen.

Z

Zelfreflectie

Het kunnen benoemen van je eigen gevoelens en gedachten, en deze kunnen registreren. Ook gaat het bij zelfreflectie over het nemen van verantwoordelijkheid voor je eigen gedrag en het kunnen inzien waar bepaalde gedragingen bij jezelf vandaan komen.

Gratis Opleidingsbrochure

Ontvang de opleidingsbrochure met uitgebreide informatie over de opleiding direct in je mailbox.

Brochure Downloaden

Ontdek je kracht

Metaprofiel Test

Je metaprogramma bepaalt hoe jij denkt, voelt, filtert en waarneemt in diverse situaties. Ontdek je sterke en zwakke punten met de Metaprofiel Test.

Start mijn test